La Goulette à gogo
Afrika blijft me na al die jaren in de kleren kruipen! Ook al is het de zevende keer dat ik voet aan wal op dit vergeten continent zet (Nairobi 1997, Nairobi 2000, Nairobi 2001, Johannesburg 2003, Windhoek 2004, Tanger 2005), de eerste indruk blijft dagenlang nazinderen. Opnieuw blijkt de setting aftands, chaotisch en smerig. Bevreemdend hoe ook de Tunesische autoriteiten er blijkbaar niet in slagen om essentieel eenvoudige procedures zoals immigratie- en douaneformaliteiten op een degelijke manier te organiseren.
Ontschepen in het mondain klinkende maar degoutant drukke La Goulette blijkt een stresserende totaalervaring die debutanten en andere reiswatjes met verstomming slaat. Officieren in een dozijn verschillende uniformen verwijzen ons urenlang van her naar der. Van aanschuiven is nergens sprake. Onze ‘carte de visiteur non-resident’ en ‘autorisation de circulation’ passeren een handvol stempelkussens alvorens ze ook daadwerkelijk voor goedkeuring ontvankelijk worden verklaard. Loopjongens met of zonder officiële badge proberen ons slinks enkele Tunesische dinars af te troggelen. Dan weer niet en dan weer wel blijkt onze GPS aan tolreguleringen onderhevig. Nukkige Duitsers dienen heel hun 4×4 te ontladen voor een stevige inspectie. Het douanehuisje blijkt een flessenhals zonder weerga: Unimog-trucks, Landrovers en Landcruisers, gerenoveerde legerjeeps met aanhangwagens vol avontuurlijke quads en ander peperduur woestijntuig verdrummen zich ronkend te pletter naar wat de poort van de vrijheid lijkt. Penetrante uitlaatgassen prikkelen onze oogleden en de middagzon verschroeit de zweetdruppels op onze gefronste voorhoofden. Een ferry vol eens zo georganiseerde, gedisciplineerde en geduldige Europeanen ontpopt zich in een mum van tijd tot een misantropische bende egoïsten. De discussies zijn niet van de lucht, sommigen gaan bijna met elkaar op de vuist. We hebben dorst.
Al goed, onze stresserende ervaringen steken in schril contrast af tegen de zenuwslopende belevenissen van Koen en Sofie (garage Meireleire) die ons een week later in Tunis willen vervoegen om veertien dagen door de Tunesische woestijn te reizen. Hun Afrikaanse dromen spatten in miljarden schilfers uit elkaar als blijkt dat de Tunesische autoriteiten hen onverbiddelijk de toegang tot het Tunesisch grondgebied weigeren. Het feit dat ze geen geldig internationaal paspoort op zak hebben, blijkt voor de officieren van dienst voldoende om hen zodanig te intimideren dat ze vol vertwijfeling een ferry richting Marseille nemen. De bureaucratische vergeetput die La Goulette blijkt te zijn, ligt op die manier aan de basis van een tripje Genua-Tunis-Marseille ofte 48 uren Mediterraan dobberen zonder fatsoenlijke kajuit, laat staan een serieuze maaltijd (volle Ramadan).
Als nadien blijkt dat Koen en Sofie ons aan de ontvangstzone van de haven hebben zien staan en ze ons tevergeefs probeerden te bellen (Leve Tuntel! Leve Taxiphone!), krijgt de hele rompslomp een wel heel wrange bijsmaak. Bovendien blijkt dat reizigers, die over een geldige identiteitskaart beschikken en een boeking van een Europese touroperator op zak hebben, niet op dezelfde hondsonwaardige manier behandeld worden.
Onmiddellijk proberen wij (op dat moment al dagen in Tunis) naar de Belgische touroperator op de Gentse Nederkouter te bellen om Koen en Sofie alsnog aan geldige overzetpapieren te helpen. Pas nu informeert het kantoor ons volledig over de noodzakelijke modaliteiten. Twee volle dagen proberen we vervolgens contact op te nemen met allerlei instanties in Tunis en Zuid-Frankrijk waar onze reismakkers afgepeigerd op een oplossing zitten te wachten: La Compagnie Tunésienne de Navigation, SNCM France en Nouvelles Frontières in het derde arrondissement van Marseille. Uiteindelijk blijkt een voucher van een hotel in Tunis voor de volle periode van hun verblijf in Tunesië voldoende om de officieren in La Goulette te paaien, zij het niet dat enkel het peperdure luxehotel Abou Nawa El Mechtel en de lokale Carlton dergelijk document willen uitschrijven en Koen en Sofie in de eerste plaats naar Tunesië trachten te komen om de Jerid en de Ksour, respectievelijk de Sahel en de zuidelijke woestijn, te doorkruisen. Urenlang schuimen we een resem aan contactadressen rond Avenue Bourguiba af om in ruil voor twee nachten verblijf en een stevige omkoopsom een voucher voor de volle periode te pakken te krijgen. Weigeringen alom!
Blijkbaar zijn we na al die avontuurlijke wereldreizen nog steeds te bleek achter de oren om de alomtegenwoordige corruptie in dit land een heel klein beetje in ons voordeel om te buigen. Van een kale reis terugkomen, heet zoiets. Een serieuze domper doorslikken ook wel, meer bepaald omdat onze relatie met Koen en Sofie, die ons in ruil voor een beperkt promotiepakket een jaar lang toegewijd in onze technische voorbereidingen hebben ondersteund, volledig uit balans wordt gebracht en we de Tunesische woestijn zonder hen moeten verkennen. Ooit zetten we het de Tunesische staat betaald! Ooit!
Fashion-dictatuur
Tunis mag met zijn mondaine Avenue Bourguiba dan al een zweem van Europees comfort uitstralen, het kleine landje eromheen blijft in de eerste plaats een op heel traditionele waarden geplaveide dictatuur, een door testosteron gereguleerd ‘mannenstan’ waar vrouwen slechts aan de zichtbare oppervlakte louter vestimentaire rechten verworven hebben. Toegegeven, de Tunesische madammen hebben stemrecht, maar dat is een proper doekje voor het bloeden. Een wel heel zeer gefantaseerde 99,99 procent (1994, How to Wag the Dog) stemt hier immers op Ben Ali, de ridder der natie die sinds 1988 de Westers gerichte plak in het oude Carthago zwaait. Populaire peet, pleegt u te denken.
De Tunesiërs weten natuurlijk beter: gedwee en vol heimwee naar de Bourguiba-dagen (1956-1987) gedogen ze de pseudo-verlichte fratsen van een kartonnen despoot die op een handvol nationale televisiekanalen dagelijks snoepjes uitdeelt, nu eens aan oudjes, dan weer aan andersvaliden. Netjes in het pak gestoken, die oudjes en andersvaliden, maar net niet netjes genoeg om de toch wel heel fijne garderobe van Ben Ali naar de publieke vergetelheid te verbannen. Robert de Niro’s uitgestreken outfits in ‘Casino’ van Scorsese verbleken in het aanschijn van de zijden cravatten en silky kostuumvesten die Zine el Abidine (ofte de generaal) worden aangenaaid om in vol ornaat boven elke publieke balie of volkse straathoek te prijken.
Maar goed, de Tunesiërs weten wel beter, stelde ik. Politiek staan ze er al jaren beter voor dan hun Arabische zielenbroeders in de donkere schaduwen van hun grote buurlanden: kolonel Kadaffi die zich zelf blijft uitvinden (Libië) of een anderhalf decennium lang kinderlijkjes in waterputten van fundamentalistisch verdriet (Algerije).
In de grote geest van volksvader Bourguiba, die na de onafhankelijkheid van Tunesië zowat elke voor Arabische maatstaven aanvaardbare hervorming doorvoerde, heeft Ben Ali de verdienste om zo goed te zijn om veel te beloven. Sociale hervormingen, verkiezingen, persvrijheid: regelmatig kondigt de president aan dat hij binnenkort zal aankondigen dat al die schone universele dingen binnenkort zullen geschieden. En zo genieten de Tunesiërs met volle teugen van het schoonste recht dat ze hebben: het recht op hoop! Als er aan die hoop geen baard hangt tenminste, want een baard betekent in Tunesië zowat even veel als een gratis verblijf in de nokvolle kerker van een staatinstelling ter bestrijding van het fundamentalisme of dwangarbeid in het schone woestijnzuiden van het land.
Zei ik niet dat de Tunesiërs beter weten? Zo lang de Souk van Tunis maar gevuld is met plastic AK-47’s (op ware grootte) en ander Westers ogend speelgoed uit Taiwan en China. Zo lang het kitscherige namaakaanbod in de Bazaars onder de aftandse afdaken van de Medina maar een groeiende materiële honger kunnen stillen. Zo lang de lokale ‘coolcats’ maar arm in arm door de lanen van de hoofdstad kunnen flaneren in strakke outfits met geborduurde zilveren Dolce & Gabana- of gouden Armani-opschriften. Zo lang zwijgt het politieke bewustzijn van deze verrassend conservatieve jonge generatie, zo lang zullen Europeanen halfnaakt rondhossen op de middelmatige stranden van Sousse, Hamammet en Monastir, zo lang blijven de mooie snoetjes van de Tunesische meisjes zichtbaar en worden ze niet verdrongen achter zwart gaas ter bescherming van een door religieuze wijzen hoog opgehouden familiale eer, innerlijke zuiverheid en sociale kwetsbaarheid.
Boring Bizerte

Het absolute Noorden van Afrika ligt in Tunesië, meer bepaald tussen de kustkliffen van Ras Angela en Cap Blanc ten noorden van het zoutwatermeer onder de oude vissershaven Bizerte. Hoe onbetekenend deze streek ook, weinig overlanders doorkruisen Afrika zonder op dit punt enkele verplichte kiekjes te schieten. Ook wij rijden via de Rafraf-kust naar het Noorden (vreemd als je eigenlijk een slordige 30.000 kilometer zuidwaarts dient te rijden) om vanuit Bizerte via Cap Serat naar de strandstad Tabarka te reizen en nadien via Ain Draham, de Khroumirie-bergen, Jendouba en El Kef naar Maktar af te zakken.
In het Noorden van Tunesië valt bitter weinig te beleven. Heerlijke gegrilde roodbaarzen, dat wel, en vriendelijke verkeersflikken met spierwitte, stijf gestreken Playmobil-handschoentjes aan. ‘Affirmatief’ en ‘negatief’ vormen hun standaard antwoorden en ze zijn stoutmoedig genoeg om sigaretten af te luizen.
De bejaarde weg tussen Bizerte en Tabarka vormt verder de ideale plaats om Gaétan te laten wennen aan het totaal geschifte rijgedrag van de lokale bevolking en de veelheid aan al dan niet levende obstakels op de weg. We leren hem ook enkele ‘off road’-technieken aan. Op een gegeven moment wordt hij zo enthousiast dat hij een fris eucalyptusboompje velt. Inneke en ik moeten vol afschuw aanschouwen hoe hij tijdens een parkeermanoeuvre als een volleerde ‘roadwarrior’ en zonder enig groen medeleven onze zware woestijnmachine op de kinderlijke peentjes van het onschuldig stammetje plaatst en het aanvankelijk pronkerige en heerlijk geurende kruintje zwiepend tegen de braakliggende ondergrond doet kwakken. Moorddadige Mad Max!
Maktar Miserie

De politie uw vriend? Het hangt er van af hoe je het bekijkt. Laat in Maktar aangekomen -volledig in de war omdat onze fantastische ‘Rough Guide’-kaart een weg omschrijft tussen Kalaat Khasbah en het bergstadje die in werkelijkheid helemaal niet bestaat- besluiten we om het plaatselijk politiebureeltje binnen te stappen en ons bij de lokale arm der wet te informeren over waar we onze daktent kunnen openplooien.
Na een uitgebreide check-up van onze paspoorten en een nutteloze totaalenquête over onze reisdoelstellingen, begeleidt het geüniformeerde opperhoofd ons naar een plaats net buiten het stadje waar het zowaar fijn kamperen lijkt. De sheriff gebiedt de nachtwaker van het naburige benzinestation een oogje in het zeil te houden. Nu en dan plegen kleine lieve Tunesiërtjes immers wat steentjes naar onze blanke hoofden te keilen. Zelf vlamt hij nadien regelmatig als een echte cowboy het terrein op om ons doodleuk te vragen of alles in orde is.
Van pure compassie -de temperatuur zakt omstreeks middernacht tot het vriespunt- worden we ondertussen uitgenodigd door Lilia Atia, een alleenstaande vrouw die met haar twee snotaapjes om de hoek woont. Ze maakt thee, leert ons enkele Arabische woorden en vertelt haar schrijnend levensverhaal: op 22-jarige leeftijd werd ze uitgehuwelijkt aan haar toen 45-jarige nonkel Hassan en na veel familiale miserie was ze uiteindelijk van haar kwelgeest kunnen scheiden, was ze haar thuisstad Tunis moeten ontvluchten en had ze zich in het onbenullige Maktar gevestigd.
Wij na zoveel soapverhalen en hartverwarmende gastvrijheid dan maar in onze tent gekropen, om ’s anderdaags te begrijpen waarom alle passanten ons de nacht daarvoor zo afkeurend hadden bekeken: de politie had ons een plaats gegeven op de lokale vuilnisbelt, een vadsige plek vol rottende etensresten, opengereten plastic zakjes en ezelstront, waardoor wij er met onze woonwagen al echte zigeuners moeten hebben uitgezien en de vele steentjes in onze richting al veel begrijpelijker werden.
Hamammet en de hypocrieten
Een Belg drinkt op en tijd en stond graag een fris glas bier! Telkens een blikje onze reisweg kruist, springen we dansend en zingend in het rond. We hebben er ons Tunesisch pad zelfs enkele keren voor omgeleid. Wat zoekt een zwerver anders in vale ‘resorts’ als Hamammet en Sousse? Schotse voetbalfanaten? Een wasdraad die afknakt en een dagje schrobben naar de verdoemenis helpt? Straatkatten die de sardienen van je bord jatten? Vechtende taxichauffeurs (echt waar)? Een religieuze bezwerende stem die het einde van de Ramadan aankondigt op Radio Monastir? Of de mensonterende verkeersdrukte die ook in dit kunststoffen paradijs het leven van zo velen onmogelijk maakt?
Nee, wij passeren in de badstad der Tunesische badsteden om na een dagenlange drooglegging eens stevig te kunnen zuipen. Tevergeefs! Ook hier komt het er niet echt van. De inspanningen zijn er telkens te veel aan: taxichauffeurs die ons bekijken alsof we ontaarde duivelskinderen zijn, op sleeptouw genomen worden door straatlopers die je naar de smerigste krochten in de donkerste achterstegen van de Medina leiden om nadien een serieuze ‘baksheesh’ op te strijken omdat je hopeloos verloren gelopen bent, …
Het moment waarop je in de lokale Carrefour (personeel op rollerblades!) onverwachts dan toch een blinkend blikje bier vindt, is helemaal onnozel: je klamme hand ontsluit de frisse ronding, je zet je lippen aan het driehoeksgaatje en giet het borrelende goud achter je huig…om aanstonds te verbleken en alles onmiddellijk als een gazonsproeier uit te spuwen omdat de inhoud verdacht veel naar een Tourtel na vervaldatum smaakt en een geamuseerde passant de kleine Arabische opschriften op het blikje als ‘bier zonder alcohol’ vertaalt.
Tunesiërs zijn serene moslims, maar met alcohol hebben velen onder hen een in het beste geval ambigue, dikwijls ronduit schizofrene relatie. Een toerist wordt zonder verpinken naar de groezeligste paaldanstenten geleid (Crazy Horse Club in Tunis), zelf brouwen ze tijdens de Haid, het suikerfeest na de Ramadan, een met Celtia (het nationale bier) overgoten feestje in een hotel om de hoek. Weinig spiritueel hoor: een nokvolle keet dronken Tunesiërs die een maand lang de achterwand van hun maag hebben gevoeld, elkaar van alcoholische onkunde bijna de keel dichtknijpen, bij wijze van geloofsontduiking de stekker van het televisietoestel uittrekken omdat het derde van de vijf dagelijkse gebeden wordt aangekondigd en zowat het hele sanitaire vertrek onderpissen en -kotsen omdat nood elke religieuze wet breekt.