Bangelijk brood en spattende spelen


El-Jem

Dat de Romeinen het in Noord-Afrika voor het zeggen hadden alvorens de Vandalen hun Afrikaanse diaspora vervolledigden, is majestueus zichtbaar in El Jem, het onooglijke dorpje dat de Sahelweg tussen Sousse en Sfax in twee knipt. Het kolossale amfitheater dat er de hoekige huisjes overschaduwt, moet zowat het meest indrukwekkende monument uit de Oudheid op Afrikaanse bodem zijn: het betreffende ‘Colosseum’, dat de afmetingen van zijn prestigieuze evenknie in Rome ruimschoots benadert, bood in vervlogen tijden plaats aan een slordige 30.000 te entertainen zielen. Dit betekent dat, de relatief lage bevolkingsdichtheid uit die tijd indachtig, notabelen uit verre streken naar El Jem afzakten om er zich te vermaken en toe te juichen hoe gladiatoren elkaar bloeddorstig in de pan hakten en allerlei armoezaaiers voor de leeuwen werden geworpen. Wie over een beetje verbeeldingskracht beschikt, hoort in de griezelige catacomben van het imposante bouwwerk nu nog de uitgehongerde grijpkatten bulderen en de gevangenen krijsen alvorens ze in de ovale arena aan stukken werden gereten. “Bene lava”, schreeuwde het uitzinnige publiek van Romeinen, Oosterse kooplieden en gespierde Nubiërs opdat de held van de dag zich in het bloed van zijn al dan niet gewapende tegenstander zou wassen. Wreed cool relict!

Hoe sompig de Sahelsteppe?


Al bij al hebben Inneke, Gaétan en ik er doelbewust voor gekozen om voor het eerst niet te ‘backpacken’ en van busstation naar busstation te reizen, maar met een volwaardig uitgerust voertuig door Afrika te reizen. En dat heeft zo zijn voordelen: je bent zeker van een zitplaats, kippen noch koeien vormen je medepassagiers, je reist comfortabel (GPS, CD-zeslader, I-Pod, Toshiba Satellite laptop, Canon Eos 400D, …), je stopt waar en wanneer je wilt en je kookt en slaapt waar het je belieft (Hotel Daffy). En plots staat al dat grandioze comfort stil, omdat je wielassen de Afrikaanse bodem raken, een modderveld je voertuig aan de grond nagelt of zandduinen de cilinders uit je motor dreigen te blazen.

Aan Jughurta’s Tafel, de tafelberg die hoog boven Kalaat es Senam op vijf kilometer van de Algerijnse grens uittorent en enkel via Tajerouine bereikt kan worden, is het alleszins goed prijs! We ondervinden er aan den lijve dat de Sahel niet noodzakelijk kurkdroog hoeft te zijn en na enkele regenbuien de gedaante van een onvoorspelbaar moerasveld kan aannemen. Enkele geïmproviseerde ‘recovery’-technieken, plaatselijke navigatie (een GPS komt vooral van pas bij lange afstanden) en een koelbloedige aanpak van de vastgelopen adrenaline, zorgen er echter voor dat we zonder al te veel kleerscheuren en carrosserieblutsen tot in Gafsa geraken, de stad die door onze illustere voorganger Norman Douglas als volgt werd omschreven: “Gafsa is miserable, its water blood, its air poison, you may live there a hundred years without making a friend!” Al bij al valt dat allemaal nogal mee, dat bloederige water en die giftige lucht. Het enige probleem dat we in de stad ervaren, is een nijpend gebrek aan hout om onze steaks iets of wat deftig te braaien (gebruik enkel een rubberboom om je vijanden op een BBQ te vergasten).

De fosfaatborinage


Gafsa

Gafsa, hoe ‘sleezy’ en stoffig dat Sahelgat ook moge wezen, vormt onze uitvalsbasis om de Jerid en de Ksour, zonder twijfel de mooiste regio’s van Tunesië, te verkennen. We laten de mijndorpen Metlaoui, Moulares en Redeyef op de grens met Algerije voor wat ze zijn: vergeten stoflongen van werkloosheid en plattelandsvlucht. Seldja (met zijn imposante kloof nabij de Coup de Sabre) blijkt dan weer de aangewezen plaats om een munttheetje achter de kiezen te gieten. De lokale jongeren informeren er ons met de wanhoop in de ogen over de mistroostige toestand waarin hun geboorteregio verkeert. Ooit rekruteerden de lokale autoriteiten duizenden mijnwerkers uit Algerije om de toen bloeiende fosfaatindustrie te laten floreren, nu komen zelf de lokale werklieden niet meer aan de bak.

Moulares doet ons in bepaalde opzichten aan de Belgische Borinage denken: de industriële verpaupering is er zichtbaar in alle aspecten van het leven. Bovenal blijken de overgebleven zielen er meer ontvankelijk voor extremisme en worden we in de abominabel vervuilde buitenwijken van de nederzettingen voor het eerst geconfronteerd met in bourka’s gehulde vrouwen. Hoe Westers van oorsprong de universele mensenrechten ook moge zijn, dit discriminerend textiel oogt voor ons vrijdenkers bijzonder bedreigend. Dat een hippe kerel je op de zelfde plaats komt vertellen dat hij onze nummerplaat herkent en zijn zuster in Kortrijk woont om binnenkort met een Marokkaan uit Rijsel te trouwen maakt het bovendien allemaal heel bevreemdend.

Gelukkig kunnen we, eens de oude poorten van Chebika (waar Algerijnse fundamentalisten in 1995 zes leden van de Tunesische Nationale Garde vermoordden) voorbij, onze getormenteerde gedachten verteren op de weidse zoutvlakten van de Chott el Gharsa en vinden we in de oase van Tozeur zowat de enige camping in Tunesië die naam waardig. “Faites comme chez vous, mais n’oubliez pas que vous êtes chez moi”, zo verwelkomde baas Ali ons gekscherend. In Tozeur prepareren we Daffy om Onk Jemal, de Chott El Jerid en de Grand Erg Oriental (de grote zandzee in het Tunesische zuiden) te verkennen.

May the force be with you


Onk-Jemal

Luke Skywalker mag zijn soepje dan al genuttigd hebben in hotel Sidi Driss in Matmata (Ksour), tussen de duinen op een boogscheut van Nefta wanen we ons op Tataouine, de geboorteplaneet van de Jedi die uitgebreid aan bod komt in de originele ‘Star Wars’-film (1977) en de prequels ‘The Phantom Menace’ en ‘Attack of the Clones’. De futuristische antennes die in de films het contact met het verscheurde universum moeten verzekeren staan er nog te schitteren in de blakende zon. Marabout-huisjes van kippengaas en plaaster wachten er op hun uiteindelijke verval. We sluiten onze ogen en horen R2D2 en C3PO kibbelen, de podrace-machines voorbijrazen en de lichtsabels van Quinion en Darth Maul hevig kortsluiten. In de virtuele verte weerklinkt een bezwerende hese stem uit het sterrenhiernamaals: “Stay away from the dark side of the force. To Capetown you may go. It is your destiny.”

Van Jerid tot Ksour


De weidse Chott El Jerid tussen Tozeur en Kebili doet me meermaals aan de Makgadigadi- en Nxai-pannen in het noorden van Botswana denken: de uitgestrekte en deels uitgedroogde zoutmeren net boven de Kalahari ogen even desolaat en zijn evenzeer vergeven van zinderende fata morgana’s. Gaétan en ik rakelen ook enkele verre herinneringen uit Zuid-Amerika op. We reisden immers ooit samen met Greet door Salaar de Uyuni (1999), het barkoude woestijngebied op het drielandenpunt tussen Bolivië, Chilli en Argentinië, een streek die getooid is met gelijkaardige dramatische decors.
Sahelnomaden en vroege ontdekkingsreizigers doorkruisten het kurkdroge en in schilfers gebladerde meer door de stronken van rotte palmen als wegwijzers te gebruiken. Ondanks deze markeringen vormden hun expedities bijzonder hachelijke ondernemingen: de ziedende zon, de van zout doordrongen lucht, de kurkdroge wind en de ijskoude nachten deden in woestere tijden zelfs de minst roekeloze reizigers de dodelijke das om.
Dat het Tunesische leger een asfaltweg in deze zouthel aanlegde, maakt ons met andere woorden blij, zij het niet dat het op deze route soldaatjes tellen geblazen is. “Beljieka”, herhalen we voortdurend omdat al die militairen naar onze nationaliteit polsen om de verveling te doorbreken. Arme stakkers! Na dertig dagen postvatten in deze onwezenlijke wereld van natriumchloride kunnen ze nog nauwelijks de aarde van het firmament onderscheiden en staat de heimwee naar vrouw en kind hen diep in de ogen. Onze krokante amandelkoekjes vormen een welgekomen afwisseling voor de zachte soldatenbeschuiten die hun kiezen al dagen te kauwen krijgen.

Voor we de Chott El Jerid verlaten, rijden we door de Nefzaoua, een cluster van kleine landbouwoasen. Ze zijn grauw en lelijk: verschrompelde dadelpalmen omringen onafgewerkte bouwsels van betonijzer en bakstenen. Bovendien steken de lokale jongelui er hun middelvinger in de lucht met een gretigheid die we totnogtoe niet hebben ervaren. Ook de welgemeende ‘Fuck you’s’ zijn in dit gat niet van de lucht. Blijkbaar maakt onze oranje woestijnbolide heel wat los in de analfabetische breintjes van deze stofmalloten.
We laten Fatnassa, Debebcha, Souk Lahad, Mansoura en Telmine achter in hun nietige bestaan alsof we er nooit gepasseerd zijn en tuffen via Kebili naar Douz, een zandbak vol dadelpalmen die bijna hoofs naar de hemel reiken. Het woestijntoerisme tiert er welig in zijn grootse avontuurlijkheid en zijn pocherige afgrijselijkheid. Omdat het stadje voor de Europese 4×4-scene één van de meest toegankelijke trekpleisters vormt, is het er een op- en afrijden van terreinwagens vol reclamestickers en ander schoons op wielen. Trucks vol water, generatoren en compressoren houden halt om veelkoppige tourgroepen te bevoorraden.
Vooral Duitsers in volle midlifecrisis nestelen zich in de zekere veiligheid van zo veel ronkende onzin. De gestructureerde manier waarop ze de oasen van Douz inpalmen en de witte onderhemdjes rond hun verbrande lijven laten weinig aan de verbeelding over: dit is een invasie! Maar goed, wij houden van onze Oosterburen en benijden hen omwille van de grote potten Nutella die hun klokvaste ontbijt kleuren. Later zullen we hen in hun bloot bovenlijf op hun moordende machobakken door de Grand Erg Oriental zien knallen, hun truck als een loden bezemwagen in hun kielzog van diepe sporen.

Mea culpa. Ook wij laten ons niet onbetuigd en nemen onze ‘Sahara Overland’ van Chris Scott ter hand. De Sahara-expert omschrijft in deze reisbijbel tal van routes doorheen de grote Afrikaanse woestijn (zelfs Tibesti op de grens van Libië en Tsjaad). We pikken er de legendarische en aartsmoeilijke woestijnroute van Douz naar de afgelegen oase Ksar Gilane uit.
Inneke neemt, net zoals vorig jaar tijdens onze verkenningstocht door de Marokkaanse woestijn op de grens met Algerije, het beheer van onze GPS voor haar rekening. Ze geeft de door Scott omschreven coördinaten in, interpreteert de digitale informatie, leest kompas en fungeert als copiloot. Honderd kilometer lang tolereert ze twee hyperventilerende kinderen die zich ergens tussen Parijs en Dakar wanen en de versnellingsdoos van hun PZJ75 tot het uiterste drijven. Tof hoor, piste-rijden. Vooral als er geen piste is! Drijfzand, torenhoge duinen en teljoren (komvormige verzakkingen in de woestijn): dat wel…maar een piste? Gelukkig halen we de oase die de grote zandzee van de aanpalende rotswoestijn scheidt. De muskieten bijten er de schenen van onder ons gestel, maar de Celtiaantjes zijn er koud, ondanks een stroompanne die heel de oase in complete duisternis hult.

Ksar Gilane vormt een groene verpozing op onze route naar Foum Tataouine, de grensstad van waaruit we naar de Tunesisch-Libische grens zullen reizen. We stappen er voor het eerst een internetcafé binnen, bezoeken er een grandioos grappige replica van een bijna levensechte Spinosaurus en verblijven er in ‘Le Sangho’, een dochterhuis van de gelijknamige hotelketen in Marokko. Het verfijnde personeel probeert er ons onze schop en een dichtingkit voor een Vespa-scooter (?) af te troggelen, maar dat zien we door de vingers want het kamelenstoofvlees en de konijnenbillen met pruimen zijn er delicieus.

Uitgerust vertrekken we naar Ras El Jedir, waar olietonnen, jerrycans en petflessen vol diesel en benzine uit Libië staan te wachten op wie Tunesië binnenrijdt en in het land van Moamar Kadaffi zijn bakje niet heeft volgegooid. Gaétan en Inneke doen het stuurwerk. Ik mijmer en denk na…over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de Tunesische maatschappij die achter ons ligt.